Korte historie over Elfstedentocht op ijs

Door dove mensen van lang geleden, zo tussen 1947 of

eerder en 1986, werd er een poging gedaan om een
felbegeerd Elfstedenkruisje te krijgen

Korte historie
Het was echt niet zo eenvoudig. Want tot 1997 waren dove Friezen/Nederlanders er naar mijn vermoeden niet in geslaagd dit kruisje te veroveren na een 200 kilometer lange tocht langs de Friese elf steden op ijs.
Ik denk aan de heren Hofmeester en Van der Werf beiden uit Sneek en ook Piet Bouma uit Groningen, ’n Fries om utens en mijzelf. Zij hadden éénmaal of enkele malen
geprobeerd om deze tocht helemaal vol te brengen. Helaas was het door verschillende oorzaken niet gelukt, zoals een botsing met een andere op een kruising in het donker te Bartlehiem, oververmoeidheid, een nat pak onderweg, een lelijke val op het ijs en de late vertrektijd. Dubbel jammer voor deze dappere schaatsers!
Sinds 4 januari 1997 kan het niet meer  “helaas” meer worden gezegd!
Schelte Keizer, geboren te Leeuwarden, wist de Tocht der Tochten te volbrengen. Als dove Fries is het hem toch mooi gelukt!
Hij is dus de allereerste dove Fries en misschien ook als allereerste dove Nederlander, die het felbegeerde Elfstedenkruisje voor het schaatsen op ijs wist te veroveren!

Mijn tocht in 1963
‘Mijn droom werd werkelijkheid.’ Met die gedachte stapte ik op 17 januari 1963 na een lange treinreis vanuit Den Haag het gebouw “De Beurs”, in Leeuwarden uit. Tien gulden lichter, maar in mijn handen hield ik controlekaart nummer 8472, een boekje met de regels en een insigne van de enige echte Friese Elfstedentocht vast.
In Huizum had ik onderdak gevonden bij de ouders van IJbele van der Veer, mijn oude schoolmakker van het doveninstituut in Groningen. We waren dan al 7 jaar van school, maar het contact was er nog.
De kou woei langs mijn rode wangen toen ik in de vroege ochtend buiten kwam. Zou ik de tocht weten volbrengen? Uit voorzorg had ik de krant onder mijn hemd gestopt als extra isolatie. Samen met een collega van me bij de Postcheque- en Girodienst te Den Haag stond ik in een grote garage aan de Julianalaan te wachten. Volgens het mededelingenblaadje van de Elfstedenvereniging moesten we om 8.10 uur vertrekken. Wij zaten in de achtste groep. De eerste groep was al om half zes vertrokken, in het pikkedonker. Gelukkig was het inmiddels licht geworden, want schaatsen zonder gehoor én zonder zicht zou onmogelijk zijn.
Eindelijk ging de grote schuifdeur van de garage aan de Julianalaan omhoog. Een stukje van de controlekaart werd afgescheurd. We renden naar het Van Harinxmakanaal, waar de snijdende wind nog steviger woei. Het was tien graden onder nul. Aan de wal bonden we snel onze schaatsen onder, maar ik was te gehaast, waardoor een veter brak. Gelukkig had ik nog reserve-veters bij me. Mijn collega reed op Noren, ik op Friese doorlopers. Onze eerste slagen waren aarzelend, dan vonden we een ritme. De conditie van het ijs was niet bepaald ideaal te noemen; we schaatsten langzaam en struikelden vaak. Misschien riepen anderen me waarschuwingen toe, maar die ontging me dan. Mijn collega merkte al spoedig dat ik niet de ervaring had die nodig was voor een dergelijke tocht en schaatste weg. Hij wist uiteindelijk Stavoren te bereiken.
Tussen Leeuwarden en Sneek ploeterde ik alleen verder. Overal lagen er scheuren. Het was al laat toen ik in Sneek aankwam. Toen ik op mijn horloge keek, zag ik dat ik 24 kilometer in twee en een half uur had gereden. Niet bepaald snel. Ik viel om de haverklap en soms overheerste de gedachte: ‘opgeven’.  Maar zo zat ik niet in elkaar.
Een week eerder las ik in het Vrije Volk over de onmenselijkheid van de tocht over de Friese wateren. Het Friese bloed in me speelde op en ik besloot – eigenwijs als ik ben – de uitdaging toch te trotseren.
Bij de controlepost in Sneek liet ik mijn kaart afstempelen, daarna reed ik via de Geeuw naar IJlst. Daar bleek het ijs heel goed berijdbaar te zijn. Een tweede stempel verscheen op mijn controlekaart; hij leek op de stempels die ik op kantoor gebruikte. 
Buiten IJlst merkte ik dat het rustig werd op het ijs. Blijkbaar reden veel toerrijders niet verder dan Sneek of IJlst, wellicht omdat zij gehoord hadden dat we de hele tocht zeer zeker niet konden afmaken vanwege tijdsoverschrijding.
Onwetend schaatste ik als een van de weinigen door in het door de oostenwind wit bepoederde landschap. Vlakbij Woudsend stond er een koek en zopie-tent; ik stopte er voor wat chocolademelk. Erg moe was ik niet eens. Voorbij het plaatsje ontwaarde ik twee banen, de ene voor Sloten en de andere die via Woudsend en de Friese meren naar Stavoren leidt. Graag zou ik op die andere baan schaatsen, maar dat zou onsportief zijn.
Een snoeiharde wind zette op. De stuifsneeuw bedekte al snel de baan waarop ik reed. Het kostte me veel moeite om Sloten te bereiken. Het was dan al rond twaalf uur. Mijn kaart telde drie stempels. Ik bekeek ze tevreden. In het café waar ook de controleur zat, at ik de meegenomen boterhammen op. Mijn wangen gloeiden net zo hard als de kachel die er brandde. Een controleur kwam op me af om me te vertellen dat ik moest stoppen. Ik verstond hem eerst niet, omdat hij binnensmonds praatte. Dan drong het eindelijk tot me door. Ik was te laat. Ik kon niet door naar Stavoren. Het was niet anders.
Omdat er in Sloten geen openbaar vervoer was, moest ik terug naar Woudsend. Eerst probeerde ik het schaatsend, maar dat lukte niet, met alle sneeuw op de baan. En dus moest ik lopen. Ook al kreeg ik er geen stempel voor, het voelde als een vierde etappe van deze barre en helse tocht.
Toen ik me na alle ontberingen omkleedde, viel de krant uit mijn hemd in snippers op de vloer. Elke snipper voor de mooie herinnering die ik voor altijd zal bewaren.

Henk Betten