Dove Groningse Joden in 1943 gedeporteerd. HDG

Het onvoorstelbare is gebeurd. Vele Joden werden in de 2de Wereldoorlog naar Duitsland en Polen gedeporteerd. Zo ook dove Joden in Nederland waren vergast, tot nu toe geteld: totaal 188.

Deportatie vanuit Groningen via Westerbork.

Op vrijdagavond 2 oktober 1942 verzamelden zich alle Groningse Joden in een loods van Van Gend & Loos vlakbij het hoofdstation te Groningen om de volgende dag met de trein te gaan naar het kamp te Westerbork…Ook twee families van dove Joodse mensen waren daar ook aanwezig. Het ene gezin bestond uit: Louis Monasch, (doof) geboren te Rotterdam op 3 juni 1908, zijn vrouw Elisabeth Cohen, (doof) geboren te Groningen op 14 oktober 1909 en hun twee kinderen: Leo Louis (doof) geboren te Groningen op 30 september 1936 en Leida Betsy, als horende geboren te Groningen op 27 april 1940. Na het verlaten van het Groninger Instituut voor Doven op 19 juli 1923 werkte Louis Monasch enkele jaren later als boekhouder (!) in de confectiefabriek Levie te Groningen, terwijl zijn vader als bedrijfsleider van deze fabriek fungeerde. In zijn vrije tijd was Louis penningmeester van de Nederlandse Bond van Dovenverenigingen (in 1931 opgericht) en hij schreef artikelen in “Ons Tijdschrift”, een voorloper van Woord & Gebaar” o.a. over politieke vraagstukken, ziektewetten en later over Suzanne Lavaud, de Franse dove vrouw die doctor (!) werd. Hij nam bij haar in Parijs zowaar een interview af voor het Algemeen Nederlands Dovenorgaan. (vanaf 1932) Verder bracht hij verslag uit over het Vierde Internationale Congres van Doofstommen 9 — 16 juli 1931 te Parijs. Hij was er enthousiast over, vooral omdat er een fijne sfeer onder dove deelnemers heerste en er veel met elkaar kon worden gesproken over problemen. Louis was toen ook een rebel, speciaal voor horende mensen. Hij schreef eens een protestartikel in “Ons Tijdschrift”:
“Des te meer betreur ik het, dat de Statuten (van het Guyotfonds) in een Bestuur van 7 leden slechts 2 doofstommen toelaten. De 5 overige zijn dus hoorenden. Ik bepleit dus een verandering der Statuten, in den zin, dat meer doofstommen in het Bestuur komen te zitten, opdat een grooter contact bereikt worde tusschen de doofstommen, het Bestuur en de nooden”.
Wij kunnen nu constateren: de toenmalige Dovengemeenschap verloor in hem en andere belangrijke Amsterdamse dove Joodse bestuurders waardevolle krachten!
Er was nog een andere Joodse dove jongen, Meijer Gosschalk. Hij was geboren op 1 september 1931 en had horende ouders, genaamd Hartog Gosschalk en Julie Levie en Sara, een horend zusje. Meijer en Leo Louis waren in deze tijd nog leerlingen van het Instituut voor Doven te Groningen. In september 1941 moesten deze leerlingen op bevel van de secretaris-generaal van de Duitse bezetting weggaan uit dit instituut, enkel omdat zij Joden waren… Het gebeurde tot grote woede van de directie van het instituut, getuige de correspondentie, die als archiefstukken van het instituut nog in de Groninger Archieven zijn bewaard. Er kwam eens een brief van de Joodse Raad te Amsterdam, geschreven op 6 maart 1942, binnen. Daarop stelde men een vraag op: “Hoeveel Joodsche leerlingen heeft het Instituut?”
Drie dagen later reageerde de heer Büchli, directeur van dit instituut, met een wedervraag in zijn antwoordbrief: De Joodse Raad antwoordde:l?
“…verzoek naar aanleiding van een opdracht van de mensen van de bezetting aan den Joodsche Raad, op welke wijze thans nog het onderwijs aan doofstomme Joodsche leerlingen is geregeld. De bedoeling is kennelijk den Joodsche Raad op te dragen de organisatie om dit onderwijs voor Joden in eigen hand te nemen”.
In de volgende brief van de directeur van het instituut is er te lezen:
“Naar aanleiding van Uw brieven van 6 en 12 maart jl., afd. IX Med.2., Ref. Dr.Sp/K, deel ik u mede, dat hier op het Instituut 3 Joodsche jongens vertoeven, respectievelijk geboren 8 October 1921 (David de Levie) 1 september 1931 (Meijer Gosschalk) en 30 september 1936 Leo Louis Monasch). De oudste jongen zal juli a.s. de inrichting verlaten. Hoogachtend, De Directeur”. Deze man van dit instituut heeft zijn best gedaan om dit niet te laten gebeuren. En had twee maanden later toch succes, want deze leerlingen ‘mochten’ weer terug op school komen. In de brief van Louis Monasch als vader van Leo Louis, geschreven op 3 november 1941, liet hij de heer Büchli weten ontzettend dankbaar te zijn dat zijn zoon weer terug op school mocht komen. Hij schreef verder:
“De geschiedenis van de Doofstommeninrichting leert ons, dat Henri Daniël Guyot een Joodsche en Protestantsche leerling tot zich nam om hun doofstommen-onderwijs te geven waarmede een bewijs van verdraagzaamheid ten opzichte van ras en godsdienst gegeven is. Thans 150 jaar later is tegen alle verdrukking in opnieuw hetzelfde voorbeeld herhaald. Deze daad van menschlievendheid zal zich niet onbeloond laten, hetzij vroeg, hetzij laat. Weest overtuigd van onze erkentelijkheid. Immers, wie kan het verschil aantoonen tusschen een Katholiek, Joodsch of Negerkind? Voor God zijn ze allen gelijk, ze zijn menschen”. (!)
Nu wil ik het hebben over David de Levie. Volgens het verslag in het Repertorium van het instituut leerde hij meubelmaken en hij was extern. Van dove ouderen zoals Harm de Vries en Rein Stokla, beide uit Groningen, vernam ik dat David de Levie, als grote jongen, Meijer Gosschalk altijd meenam naar huis. Zij woonden namelijk vlakbij elkaar. De ouders van Meijer had een slagerij op een hoek aan de Folkingestraat. Omdat de ouders in Hilversum woonden, verbleef David de Levie bij een kostbaas. (men ging vroeger altijd in de kost, nu wonen jongeren op kamers) Tijdens de wekelijkse wandelingen kregen de leerlingen van slager Gosschalk vaak een plakje worst. Een dove medeleerlinge van Meijer vertelde me hoe zij zich herinnerde: Meijer moest van hun onderwijzer een blad van een plant op de vensterbank opeten… Volgens haar gebeurde het uit louter pesterij, enkel omdat hij een Jood was. Gerrit Westerveld  vertelde me hoe hun onderwijzer toen zou hebben gezegd dat over twee weken de Joden allen opgehaald worden. Meijer reageerde overstuur en zei: nee, nee. Deze onderwijzer zei op de bewuste ochtend (2 oktober 1942) zei, dat Meijer en Leo Louis met hun familie vandaag bij de razzia opgehaald worden. Gerrit vraagt zich tot op heden af: hoe wist deze man, hun onderwijzer, dat?!
Op zaterdag 3 oktober verzamelden de Joodse mensen van de stad Groningen weer op het hoofdstation te Groningen, gereed voor vertrek naar het kamp Westerbork. Dit deed dienst als doorgangskamp naar de vernietigings-kampen in Polen. Westerveld weet zich nog te herinneren, dat hij met medeleerlingen en dove oudere jongeren op straat stonden te zwaaien naar de familie Monasch, die in de trein stonden.
In de Groninger Archieven las ik een brief van het Instituut voor Doven te Groningen, geschreven op 6 October 1942, voor de Inspectie van Onderwijs, Ir. Van Houte:
“….tevens zijn op 5 October 1942 afgeschreven de Joodsche leerlingen:
nr. 183 Meijer Gosschalk, (als nieuwe leerling op het instituut) aangekomen 25 februari 1935;
nr. 251 Leo L. Monasch, aangekomen 15 september 1939.
Hoogachtend, Uw. dw. M.J.C. Büchli, dir.”.
Johan Wilterdink liet mij als reactie weten na het verschijnen van dit artikel in het aprilnummer van Wij Doven, nr. 267, dat ik verder kon zoeken in de website van http://www.yadvashem.org/wps/portal/IY_HON_Entrance

Daar heb ik de datum gevonden van het overlijden van de gehele familie Monasch: in Auschwitz op 19 oktober 1942, David de Levie en Meijer Gosschalk en zijn zus Sara: ook in Auschwitz op 29 oktober 1942.
Henk Betten.