Bevrijding – eindelijk vrij en weerziens

Op 11 augustus 1945 wapperde de nationale vlag dan eindelijk van het Instituut om de kinderen na een afwezigheid van meer dan een jaar te verwelkomen.”

Samenvatting uit het jaarverslag van 1944 en 1945 van het Instituut voor Doven
te Groningen (verkort)


BRON: Foto’s van Archief Koninklijke Kentalis te Haren


BRON: Foto’s van Archief Koninklijke Kentalis te Haren

Op 1 februari 1944 werd het gehele internaat  door de Duitsers gevorderd, per 15 februari en de ambachtsschool (inmiddels reeds gedeeltelijk tot internaat ingericht) en per 1 maart: de directeurswoning.In het 154ste jaar van zijn bestaan werd het Instituut (150 kinderen van 3 – 18 jaar oud),  personeel en de inboedel op straat gezet. De verontwaardiging in de stad was groot, wat het nationaal-socialistische gemeentebestuur echter niet verhinderde te adviseren de kinderen naar huis te sturen en het Instituut te sluiten. Natuurlijk werd hieraan geen gevolg gegeven.
Na talrijke zwerftochten, besprekingen en mislukkingen gelukte het eindelijk voor alle afdelingen een plaats te vinden en toen begon de grote uittocht. Dank zij de medewerking van het personeel, de kinderen (ik zie nog zeven kleine jongens een lange bank naar buiten torsen) en onze vaste timmerlieden, elektriciens, loodgieters en stoffeerders werden de nieuwe verblijven ‘volgens de plannen’ betrokken.
De inventaris waaronder de reserve aan levensmiddelen, textiel, leer en hout werd veilig geborgen.
De administratie van het Instituut werd ondergebracht in het kantoorgebouw van de Eerste Nederlandsche Scheepsverbandmaatschappij; de huishouding, de meisjes, de kleine jongens, de ziekenafdeling en de naai- en fröbelklassen vonden onderdak in het Concerthuis (aan de Poelestraat), dat geheel door ons werd gehuurd.
Aan de jongens werd de bovenzaal van het Café “De Union” toegewezen. Daar niet voldoende kookgelegenheid voor zoveel personen aanwezig was, werd het eten verstrekt door de Centrale Keuken aan de Antonius Deusinglaan te Groningen.
Het Lager Onderwijs werd gegeven in de Universiteit, de Noord- en Zuiderbewaarschool en de Christelijke School aan het Guyotplein.
De kleer- en schoenmakerij werden in de Christelijke school  en de meubelmakerij in de Noorderbewaarschool gehuisvest.
De Vakschool voor meisjes werd in het Academiegebouw gevestigd, terwijl tenslotte de Lichamelijke Oefening in de gymnastiekzaal van de Buitengewone Lagere School werd gegeven.
Het interne personeel kon slechts gedeeltelijk in de tijdelijke verblijven onderdak vinden, zodat een groot pension en verschillende kamers werden gehuurd; bij toerbeurt sliep men bij de kinderen.
De heer Bootsma, technicus van het instituut, was op ons verzoek tijdens de evacuatie in dienst gebleven, opdat de zorg voor de ketels der centrale verwarming, de kostbare moderne keukeninstallatie, enz. in zijn vertrouwde handen zou blijven. Steeds stond hij de belangen van het Instituut voor, wanneer de bezetter deze met voeten trad. Was er iets gebeurd, dan kwam hij ons rapporteren. Hij was boos, toen op instigatie van boosaardige elementen de letters, den naam “Instituut voor doofstommen” vormende, van de gevel van het middenbouw werden verwijderd.
Hij is er echter in geslaagd deze letters verborgen te houden en thans prijken deze weer in volle glorie op hun oude plaats. Toen de belegering der stad begon, was Bootsma niet naar huis gegaan, maar in de gebouwen gebleven om in te kunnen grijpen bij brand of aan de andere kant.
Hij leverde in de inrichting gevluchte NSB-ers op 16 april zelf aan de goede politie uit.
Met de hulp van NSB-vrouwen werd alles in het Instituut schoongemaakt. Schilders, timmerlieden, behangers, enz. knapten lokaliteiten en gangen weer op.
Het personeel assisteerde bij de verhuizing en bracht alles op zijn plaats.

Overgenomen door Henk Betten
 

BRON: Foto’s van Archief Koninklijke Kentalis te Haren