Belevenissen tijdens de tweede wereldoorlog

De Werkgroep HISTORIE DOVEN GRONINGEN heeft in 1999 en ook in 2000 oudere dove mensen geïnterviewd, terwijl het op video werd vastgelegd. Aan hen werd gevraagd hoe ze het vroeger hadden meegemaakt in de periode tussen 1940 en 1945.

De volgende vraag werd gesteld aan de heren De Vries en Terpstra en mevr. De Windt, allen al overleden:

“Hadden jullie van horende mensen genoeg informatie over het begin van de oorlog in Nederland    op 10 mei 1940?”

Harm de Vries: “Nee, ik wist het niet zo precies meer. ’s Middags om 12 uur zag ik met eigen ogen de Duitse soldaten marcheren. Ik dacht: Wat is dat?”
Harm Terpstra: “Mijn vader vertelde me dat het oorlog uitgebroken is. Hij zei dat ik thuis moest blijven. Dus niet werken in Leeuwarden. Ik zag op een grote afstand wel erg veel vuur; bij de Afsluitdijk werd er gevochten”.
Mevr. Henny de Windt: “Mijn ouders vertelden me wel en zeiden tegen mij:”Goed opletten. Pas op! Erg gevaarlijk!”

Nog een vraag over de dovenbijeekomsten, zoals van de N.N.D.V.:

Harm de Vries: “Van 1941 tot 1945 was er geen bijeenkomsten van de N.N.D.V. Het mocht niet van de Duitsers. Erg vervelend, omdat er ’s avonds een uitgaansverbod na 8 uur was. Zo konden dove mensen in de stad elkaar niet opzoeken voor een gezellige babbel”.

Harm Terpstra: “Omdat ik in een dorp te Friesland bij mijn ouders woonde, had ik weinig contact. Gelukkig kwamen enkele doven bij mij langs komen; ik denk aan de heren Boersma, Olivier, Houkes. We hadden het toch gezellig met elkaar gebabbeld”. Aan hen werd gevraagd om hun belevenis die hun lang bijbleef.

Harm Terpstra: “Jaik had werk te Leeuwarden. Elke dag fietste ik heen en weer. Op een dag fietste ik langs een bunker; daar stond daarvoor altijd een Duitser met een geweer. Hij moest controleren of iemand een Ausweis (een soort identiteitsbewijs) bij zich had. Maar op die dag zag ik hem niet staan. Dus gewoon doorfietsen, dacht ik. Na ongeveer tien meter fietsen zag ik opeens een voorbijganger naar mij zwaaien. Zijn gezicht zag er erg bang uit en ik stopte en zag die man naar achteren wijzen. Ik keerde me om en zag zowaar een Duitser staan. Hij hield zijn geweer in aanslag.
Oei, oei. Ik keerde me snel terug en liet me mijn Ausweis zien. Die Duitser mopperde kwaad en enkele mensen die mij kenden, vertelde hem dat ik doof ben. Die soldaat bleef mij kwaad aankijken en zei dat ik een witte armband om moest hebben. Dat vond ik erg vreemd.
Ik begreep niet waarvoor dit moest dienen. Thuisgekomen vertelde ik het alles aan mijn ouders. Volgens mijn vader moest ik die armband,met SH erop,beslist om hebben, zodat de Duitsers kunnen zien dat je slechthorend of doof bent”.

Harm de Vries: “Op een zondag reisden we naar Heerenveen per trein om daar het voetballen, ook om Abe Lenstra, te zien spelen.Toen we weer terugkeerden via Leeuwarden, zat ik in de trein die mij naar Groningen bracht. Een heer die tegenover mij zat, vroeg mij waar ik heen moest gaan. Naar Groningen! Het antwoord was:O,je moet goed oppassen. Want er is vanavond vanaf 8 uur een uitgaansverbod te Groningen! Ik schrok er van, maar ja, ik moest toch naar huis Op het station stond een stationschef
klaar. Hij gaf iedereen die gearriveerd was, een papiertje mee. Daarin stond vermeld, dat men hierdoor voor deze avond vrijgesteld werd. Ook ik kreeg het papiertje en stak hem in mijn binnenzak.Dan liep ik van het station af naar huis. Vlakbij de Plantsoenbrug schrok ik hevig van het felle zaklantaarnlicht. Ik kon haast niets zien en zag enkele Duitsers opgewonden praten. Ik zei dat ik doof ben door de vingers in mijn oren te stoppen en liet het papiertje aan hen lezen. Okee, je kunt het doorlopen!, zeiden ze”.

Henny de Windt: “Ook ik had iets. Ik was zo nieuwsgierig geweest. Daar was mijn vader dagenlang erg kwaad om. Op een dag zag ik enkele Duitse soldaten vlak bij ons huis rondlopen. De ene had een grote soort buis in zijn hand. Opeens liepen die soldaten naar de brug. Mijn vader trok me weg en zei: Binnen blijven! Maar ik duwde me van hem weg en bleef kijken. De soldaten kropen onder de brug en maakten daar zo’n buis en enkele draden vast en deden nog iets.Ik bleef kijken en het gezicht van mijn vader zag er kwaad uit, maar ik trok er als een jong en eigenwijs meisje niets van aan; ik liet me los.
Opeens zag ik een grote ontploffing en dan het ineenzakken van de brug. Kapot! Mijn vader sleurde me ruw het huis binnen maar ik bleef lachen en zei: Papa, ik heb toch alles gezien!”

De volgende vraag ging over de informatie van of Nederland in april 1945 al of niet vrij werd.

Harm Terpstra: “Nou, mijn vader vertelde me dat Nederland bevrijd werd. Daarom kon ik niet naar mijn werk. Want mijn baas was een N.S.B.-er. Enkele dagen later zag ik hem met andere N.S.B.-ers met kale koppen in een groep marcheren; ze werden op transport gesteld, op weg naar een gevangenis”.

Harm de Vries: “Ik voelde op 11 April veel spanning, omdat de bevrijding door de komst van Canadese soldaten in de stad Groningen naderde en mijn baas zei op een dag dat we naar huis moesten gaan. Bij de Visbrug aan de Lage der Aa liep ik voorzichtig en opeens stopte een auto vol Duitsers vlak voor mij. Een van hen maakte een gebaar van: Zo gooi ik je in het water! Frustraties? Ik maakte hem duidelijk dat ik doof ben. Zo liet men mij gaan”.